11 is een gekkengetal zeggen ze wel eens. Vandaag ga ik voor de elfde keer starten op de Rotterdam Marathon. Gekkenwerk? Normaal gesproken niet, vandaag misschien wel een beetje. Want elke andere keer dat ik riep dat ik niet goed voorbereid was, toen ik behoorlijke bloedarmoede had bijvoorbeeld, of recentelijk nog iets anders geks gedaan had, zoals de week ervoor de marathon van Parijs had gelopen, een paar weken later de Two Oceans zou gaan lopen of twee maanden eerder 224 km trailen, dacht ik dat ik niet slechter aan de start kon staan. Vandaag bewijs ik wellicht het tegendeel. Sinds 6 maanden geblesseerd waarvan 3 maanden ook echt stil gestaan, niet specifiek getraind en maximaal één keer 21 km en één keer 30 km gelopen. Toch ga ik starten. Want ik ben een hardloper, en hardlopers zijn niet alleen hardleers, een tikje arrogant en eigenzinnig, maar vooral ook extreem eigenwijs. En ik heb eigenwijsheid niet alleen uitgevonden maar ook verbeterd.

Van de week vroeg iemand me nog of ik nou de hele week pasta ging eten. Ik mag wel zeggen dat ik inmiddels genoeg ervaring heb dat ik dat soort dingen niet meer doe. Gewoon normaal doen, wat ik normaal gesproken ook doe. Pasta op zaterdag is meer gezellige traditie dan behoefte aan stapelen, net als de pannenkoek met spek op zaterdagmiddag en een toetje ‘s avonds na het eten, waarbij het lopen van de marathon gewoon een goed excuus is. Ik neem tijdens het lopen zelf twee gelletjes mee, één om op te eten, één als reserve, ik bak vlak voor de start bananenpannenkoeken omdat dat makkelijk is en ik kijk zaterdagavond de film ‘De Marathon’ om het gevoel van sfeer lekker af te toppen. Koolhydraten stapelen, taperen, een vracht gelletjes meenemen onderweg en isotone sportdrank drinken? Ik ga voor uitlopen, ik hoef geen PR meer. Bovendien veel te veel gedoe. Op tijd naar bed doen we dan wel weer, de hele nacht wakker liggen van de zenuwen niet meer.

En zo is het dan zondagochtend, ik heb mijn pannenkoek gegeten, Frank loopt de tien kilometer dus die heb ik bij Blaak bij Frouke en Deborah afgeleverd en uitgezwaaid, en op mijn gemak ben ik naar het startvak gewandeld, nog even met Rob op de foto, die staat gewoon weer op de Blaak, om dit jaar Berget Lewis ‘You’ll never walk alone’ te horen zingen. Het blijft even wennen dat mijn buurman Lee het niet meer doet net als dat ik Abu mis bij de start. Maar de wereld verandert continue en niets is voor eeuwig dus dit ook niet. De wedstrijdlopers zijn al weg, ik wacht geduldig af tot mijn wave ook weg mag, 10:10, de heartbeat en dan gaan we! Met opwinding en enige twijfel of mijn knie het gaat houden. We gaan het zien. Wat zeg ik ook altijd weer? De dood of de gladiolen, en we gaan natuurlijk altijd voor de gladiolen. Bovendien komt aan alles een eind, ook aan 42,195 km.

In het startvak sta ik met Marcel en Marcella, die eerst naar ons huis gekomen zijn, maar ik heb gezegd dat ze hun eigen gang moeten gaan omdat met mij lopen niet te doen is. Ik start altijd te hard, stort daarna in en loop onregelmatig omdat ik onderweg waarschijnlijk nog foto’s maak. We zien elkaar naar afloop wel weer. Als ik over de startmat loop kijk ik of onze nieuwe burgemeester er staat of wellicht Berget. Carola zie ik niet, Berget wel maar die is druk in gesprek met iemand. Doorlopen dan maar dus mijn muziek gaat aan en ik loop relaxed de Erasmusbrug op. Denk ik, want per saldo loop ik sneller dan 5:30. Maar ja, de eerste kilometer gaat altijd wat sneller en de tweede ook want dat is heuvel ‘Erasmusbrug’ af.

Ik voel me goed, ik loop lekker en heb geen last van mijn been. So far, so good. Overmoed gaat voor de val dus ik blijf op het snelle tempo doorlopen richting de eerste 5 km. Maar eerst langs DJ Gewoon Rene. Vanwege de routewijziging staat hij dit jaar op de 4 km in plaats van de 17 km, maar ik heb beloofd dansend bij hem langs te gaan dus dat doen we dan ook. Even een snelle foto en dan toch weer door. Bij de 5 km even wat water pakken en dan kijken hoe het nieuwe stuk van het parcours loopt. Nu moet ik bij de 7 km richting de Kuip en daar draaien voor het heen en weertje. De turn komt eerder dan ik verwacht en voor ik het weet ben ik alweer op de terugweg, waar ik snel nog even een selfie maak met De Kuip op de achtergrond. Door deze routewijziging moet ik de hele planning in mijn hoofd aanpassen. Alles komt nu veel eerder en dus is uitkijken naar de vaste punten ook anders.

Evert staat niet rond de 9 km want ik krijg eerst de 10 km verzorgingspost. Daar staat mijn oude Roparun team Jatogniettan?! water uit te delen. Ze zijn de volgenden in een lange lijst van bekenden die ik onderweg tegen ga komen, en bekenden en onbekenden die mijn naam zullen scanderen. Ik loop nu langs een man die aan het jongleren is tijdens het lopen en weer maak ik een foto. Dan de tunnel door in Lombardijen en als ik de tunnel uitkom kijk ik uit naar Evert. Ik kijk rechts als ik hem in mijn ooghoek ineens links zie staan en er bijna voorbij loop. Ik stop, roep dat hij aan de verkeerde kant staat en loop terug voor de traditionele foto. ‘Het is druk!’ verontschuldigt hij zich en zet me op de kiek terwijl ik een springpoging doe. Nu kan ik dat nog.

Ik lach en ren door terwijl ik voor het eerst mijn been een beetje begin te voelen. Hij doet nog geen zeer maar hij ‘zeurt’ wel terwijl ik de hoek omdraai en richting het Havenspoorpad ga. Veel mensen hebben hier een hekel aan, ik niet, ik hou van het Havenspoorpad. En omdat ik nog redelijk ‘vroeg’ ben is het ook nog niet zo druk. Ik loop nog steeds ok en snel, maar het zeuren gaat wel steeds meer over in ‘het doet een beetje zeer’. Straks bij de 15 km maar even wandelen of zo. Ik loop door naar de 13 km waar ik een gelletje pak, het eerste voedsel van de loop. Even voorbij de 13 km zie ik ineens Ronald en Ysbrand staan. Wat leuk! Ik stop en krijg van allebei een Powerknuffel voordat ik weer verder ren. Op naar de 15 km en van daar uit naar de halve.

Het wordt steeds warmer en het is lekker druk langs de kant. Ik word nog steeds veelvuldig aangemoedigd terwijl ik lekker doorhobbel. Ook de 15 km passer ik ruim binnen een gemiddelde snelheid van 10 km per uur en ik krijg een déja vu met Amsterdam, waar ik me de eerste helft kapot liep door heel snel te gaan, en de tweede helft doorgeworsteld heb met als gevolg een overbelaste knie. Gelukkig ben ik nu door schade en schande wijs geworden, toch? Oh nee, toch niet want ik loop gewoon net zo snel door. Het lijkt wel of, als ik aan het hardlopen ben, mijn IQ stante pede met 100 punten daalt. Aan de andere kant, geluk is met de domme dus wie weet. Als ik klaar ben met het Havenspoorpad zit ik op 16 km en ga ik echt wel iets rustiger aan doen. Ik neem iets langer de tijd bij de verzorgingspost om daarna weer lekker verder te kunnen.

Na de 17 km krijgen we de laatste koerswijziging, want in plaats van de lus om Ahoy hebben we ook hier weer een heen en weertje. Ik vind het niet erg, de lus bij Ahoy was altijd één van mijn minder favoriete stukken uit het parcours. Waarschijnlijk een trauma van mijn allereerste marathon. Toen ging ik hier al een beetje dood, had geen zin meer en was ik nog niet eens op de helft. Nu gaat het heen en weertje redelijk ongemerkt aan me voorbij met als voordeel dat ik de 20 km passeer. Ik zit nog steeds gemiddeld op 10 km per uur en kan wellicht de halve onder de twee uur aantikken. Het enige dat roet in het eten kan gooien is die verdraaide poot, die steeds irritanter begint te worden. Bovendien krijg ik eerst de verzorgingspost waar ik toch écht weer even mijn bekertje water pak en ook nog een stukje banaan krijg en eet. Ik neem zelfs even de tijd om er toch een paracetamol in te gooien, vooral om te voorkomen dat ik teveel krom ga lopen.

Als ik me weer in beweging zet moet ik eerst naar het 21 km bord en daarna door naar de 21,1 km, met nog ongeveer een minuut te gaan. De sokken er in dan maar en ik passeer in 1:59:40. Voor de marathon zelf heeft het geen betekenis, voor mij is het een wereld van verschil. Vorig jaar deed ik ditzelfde kunstje, maar toen had ik geen manke poot en was ik een stuk beter getraind. Het verschil zit hem dit jaar ergens anders in, namelijk een paar kilo minder. Eenmaal over de helft neem ik écht even de tijd om bij te komen. Dat wil zeggen, het stuk naar en voorbij de 22 km dat een stukje omhoog loopt richting de Brielselaan doe ik gewoon lekker wandelend, wat alle toeschouwers ook schreeuwen. Niet alleen ik maar ook mijn been moet even bijkomen.

Het helpt, ik voel hem minder en kan weer doorlopen naar mijn nieuwe doel, de 25 km. Toch hou ik het niet vol om te blijven rennen en het wordt rennen met af en toe even wandelen tussendoor. Het is warm en zelfs een oudbakken spekje geeft niet voldoende suiker. Ik accepteer het gewoon, vorig jaar was het niet anders en een halve onder de twee uur heeft dit effect nu eenmaal. Ik maak dankbaar gebruik van de sponsjes met koud water om het hoofd koel te houden en hobbel gewoon lekker door waar het kan. Vooral de stukken die omlaag gaan. Alle kilometers na de 20 km komen iets eerder dan normaal en dat is psychologisch wel lekker. De 25 km is dan ook niet pas na de bocht maar er al voor. De verzorgingspost is wel na de bocht richting de 26 km als ik ineens Frank hoor roepen. Die staat onverwachts op rechts. Hij vraagt of ik wat wil hebben en ik grijp een dadel in chocola. Ik krijg nog een kus mee en dan loop ik weer verder want ik moet er nog 16.

Ik vergeet dat ik ook nog een appeltje in de tas had, want de chocola geeft dorst, en bedenk me dat ik wel wat cola had willen hebben maar die heb ik niet in de tas gegooid. Ik app Frank of hij nog iets kan regelen voor straks in het bos en pak wat extra water bij de verzorgingspost om mijn dorst te lessen. De dadel geeft me energie om naar de Erasmusbrug te lopen. Daar zet ik mijn muziek uit en kijk uit naar de afdaling, niet alleen omdat dat heuvel af is, maar omdat dat ook altijd het moment is om ‘Zuid’ af te sluiten. Sommige dingen veranderen niet. Het gaat nu allemaal niet zo snel meer maar dat geeft niet. Het ergste heb ik gehad en met voldoende marge. Aan het eind van de Schiedamsedijk is het draaien naar de Westblaak, het tunneltje en dan uitkijken naar Bart en Patries, die ergens op links moeten staan.

Ik ben nu op terrein waarop wandelen steevast gelijk staat aan extra aanmoediging van de supporters, die bijna niet toestaan dat je niet aan het rennen bent. Ik ben dan ook blij met het tunneltje, waar ik schaamteloos en zonder toeschouwers even extra rustig kan wandelen. Aan de andere kant is het dan ook wel weer leuk dat als je na het wandelen bij de aanmoediging tóch weer gaat rennen, ze extra enthousiast zijn. Je zou het er bijna om doen. Bijna. Terwijl ik na het tunneltje me toch maar weer in beweging zet kijk ik uit op links en zie Bart en Patries staan nog voor ze mij zien. Patries spot me als ik al bijna voor hun neus sta. Een knuffel en een handje salmiakdrop, voor de zoute smaak, als ik weer verder trek. Ik begin me wel serieus af te vragen wanneer mijn maag gaat protesteren op al dat verschillende voedsel. Nou ja, dat merk ik dan vanzelf wel.

Ik ren richting de Kubuswoningen en ben alweer bezig met mijn volgende doel, Frouke, Stans en Deborah, die na de bocht moeten staan. Ik verwacht ze op rechts maar kijk gelukkig ook met een schuin oog naar links als ik ze zie staan. Ik moet wel even kruislings oversteken en als ik op ze af ren en er bijna ben doe ik een klein beetje struikelen. Mijn rechterbeen weigert dienst waardoor ik het niet kan opvangen en mijn evenwicht verlies. Met enig gevoel voor drama stort ik volledig niet gracieus op de grond half tegen het hek aan. Het lijkt wel of ik de scène van gisteravond uit ‘De Marathon’ naspeel. Gelukkig is het niet vlak voor de finish en ook blijf ik niet dood liggen. Onvast op mijn benen sta ik weer op, geef de meiden alsnog een knuffel en hink in eerste instantie weer verder. Even later weten mijn benen weer wat ze ook alweer moeten doen en hobbel ik weer verder, dwars door de meute van de Mariniersweg richting het 30 km punt.

De mensen staan traditiegetrouw rijen dik en het is smal lopen. De warmte begint zich nu toch echt wel te laten gelden en ik heb al de nodige ambulances gehoord en mensen bij de EHBO gezien. Het is ook ieder jaar hetzelfde liedje. Na de koude winter is de lente nog maar nét begonnen en de marathon is altijd warm, ook als het niet warm lijkt. Na de Mariniersweg draai ik de Warande op en van daar uit Crooswijk in richting het bos. Het geluid is oorverdovend en ik ben blij als ik straks in het bos even wat rust krijg. Tenminste, dat denk ik want het lijkt wel weer drukker dan andere jaren. Ook in het begin van het bos staan de mensen rijen dik en pas als ik écht in het bos ben wordt het iets rustiger. Ik kijk uit naar Frank die net na de 32 km staat.

Hij heeft cola weten te scoren die ik in een flesje mee krijg. Voor de rest hoef ik niks en weer vergeet ik mijn appeltje. Ik krijg opnieuw een kus en de mededeling dat Ysbrand en Ronald een stukje verderop staan. Weer iets om naar uit te kijken en weer een paar honderd meter verder. Het is nu nog maar tien kilometer, die lopen we wel uit. Dat hoop ik tenminste want mijn benen blijven signalen afgeven dat ze dienst willen weigeren. Stelletje deserteurs en ik spreek ze streng toe. Als ze het maar uit hun hoofd laten. De pijn in mijn poot is gelukkig aanzienlijk minder, het zit hem vooral in de aansturing van de spieren en ik heb het op mijn heupen. Van Ysbrand en Ronald krijg ik weer een Powerknuffel en dan weet ik dat ik vanaf daar de rest alleen moet doen. Het bos lijkt korter dan normaal, weer vanwege dat psychologische effect, en als ik uiteindelijk de hoek naar de Kralingseweg opdraai is het nog ‘maar’ 6 km. It’s tiiiiiiiiiiiiiime! Tijd voor de Terminatorknop. Ik eet nog een Bifiworstje, voor het zout, en gooi er een Dextro achteraan, voor de energie, zet mijn magische playlist op en druk op de knop.

Het effect is direct zichtbaar. Op de maat van de muziek met het verstand op nul (lekker makkelijk, dat was ik toch al kwijt toen ik vanochtend begon) en de blik op oneindig maak ik mijn stappen en blijf bijna drie kilometer lang op een redelijk constant tempo rennen. Genoeg om lekker af te kunnen tellen, me door Crooswijk te helpen en naar het 40 km punt. Op de Warande staat de laatste verzorgingspost waar ik nog even wandel onder het genot van een bekertje water. Daarna zet ik me weer in beweging en mijn tanden op elkaar voor het laatste stukje. Bij de Gele Kanarie en over de Mariniersweg is het support op zijn hoogtepunt. Ik smokkel nog één keer met wandelen langs de lege hekken op rechts waar de supporters niet kunnen komen. Dan ben ik bij het bordje waar ik de afgelopen dagen meermaals langs gelopen ben. ‘Nog 1000 meter’.

Ik begin weer te rennen en de support en het schreeuwen van mijn naam is nu dusdanig dat ook al zou ik het willen, wat ik stiekem best wil, ik kan nu gewoon niet meer stoppen met rennen. Het zijn kleine langzame pasje maar rennen desalniettemin. Ik kijk nu uit naar Rob, mijn laatste stop before I drop, durf het niet aan om te springen maar doe het last minute toch. Als je dat tenminste springen kan noemen maar goed. Dan doordribbelen, het laatste 500 meter bord, de draai naar de Coolsingel en een ‘ietsminderlangstukopdeCoolsingelgodzijdank’ naar de finish. De finish? Oh nee dat is de 10 km, nog een heel klein beetje verder, en dan yes, yes, yes. Oops I did it again. Nummer 11 done and dusted.

Ik loop door, neem mijn medaille in ontvangst bij oud collega Peter, net als de afgelopen 11 jaar, praat even bij en wandel door om mijn AA, een banaan en een Trekreep in ontvangst te nemen. Hmmm, ze hadden toch chocomelk beloofd? Ik zie het niet en ben teleurgesteld. Daar had ik me nou zo op verheugd. Ik loop door en heb contact met Frank. We spreken af bij het Schouwburgplein want ik wil mijn medaille graveren. Iets met traditie en zo. Het is druk maar het valt toch mee en ik ben relatief snel door de hekken en bij het Schouwburgplein waar ik Frank tref. En surprise, daar wordt ook de chocomelk uitgedeeld die ik blij in ontvangst neem en gelijk opentrek. Lekker! Dan alsnog mijn medaille graveren en nog even bij Ferry kijken waar we Ysbrand, Ronald, Bart, Patries, Linda en Marilene treffen. Na een drankje en even bijpraten over onze avonturen lopen we terug naar de Coolsingel, waar we Marcel en Marcella oppikken en richting huis gaan. Na het afscheid duik in onder de douche en op de bank, waar ik dan toch maar het gesprek met mijn benen aanga. Vooral rechts is behoorlijk pissed off. We zullen zien of dit na een nachtje slapen een beetje bijtrekt.

11 keer Rotterdam, en mijn 23ste officieel geregistreerde niet trail marathon op asfalt (24 als je de ultra van de Two Oceans meetelt). Dat had ik 5 maanden toch écht niet gedacht, en al helemaal niet in de tijd die ik uiteindelijk gelopen heb, 4:21:50. Een tijd die niet alleen heel netjes is, maar voor mijn doen zelfs snel. Hoe komt dat nou zo? Dit is een duidelijk geval van minder is meer. Minder trainen, want laten we eerlijk zijn ik heb minstens drie maanden écht stil gestaan, minder ‘moeten’, want alles wat ik zou doen vandaag was eigenlijk ok als ik maar uitliep, en vooral minder kilo’s, want door het stil staan groeide ik dicht en dat was het zetje dat ik nodig had om even heel serieus wat aan mijn dagelijkse calorieinname te doen. Allemaal factoren die zeker een positieve bijdrage, want ik zie het zeker als een meer dan positief resultaat, hebben geleverd aan vandaag. Alhoewel het minder trainen misschien ietsiepietsie meer had kunnen zijn, dan waren mijn benen misschien iets minder boos geweest nu. Maar de grootse factor van het succes van vandaag waren toch zeker de supporters. De supporters die je letterlijk naar de finish schreeuwen. Daar mag je van vinden wat je wil, maar voor mij?

Voor mij maakt dat Rotterdam voor eens en altijd #demooiste.

0 reacties

Een reactie versturen

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *