The Great Escape 100. Of eigenlijk 105 km, met 4200 hoogtemeters, in 22 uur, met relatief weinig training, een zeurende knie en al ruim anderhalf jaar niet verder gelopen dan 55 km. Bovendien komt The Great Escape voor mij uit de categorie dat ik altijd in mijn achterhoofd heb dat ik er eigenlijk nét niet goed genoeg voor ben. Nét even een tikkie te zwaar, nét iets te veel hooi op mijn vork, nét iets boven mijn hoofd. En toch trap ik er iedere keer weer in en schrijf me in, met de illusie dat het de volgende keer makkelijker zal gaan. Zo ook deze keer, want nadat we vorig jaar uitstapten en de volgende dag zoiets hadden van ‘waarom zijn we in vredesnaam uitgestapt’, gaan we het toch weer doen. En zoals altijd met de gedachte, ‘ik ga gewoon starten en dan zie ik wel hoe ver ik kom.’

Na drie weken vakantie maar een zware week op kantoor heb ik vrijdag gelukkig vrij om mijn spullen klaar te leggen. Hoef ik zaterdag alleen nog maar naar de bakker om een broodje en een koek te halen. Plan is om om 11:00 weg te rijden maar ik wil het liefst iets eerder. We spreken af om na het ontbijt gewoon spullen te pakken en te gaan, en per saldo is het toch al 10:45 als we richting Luxemburg gaan. De reis gaat soepel en we zijn dan ook rond 14:00 in Clervaux waar het hoofdkantoor en morgen de finish is. We hebben mazzel en er rijdt net iemand weg van de parkeerplaats, net als vorig jaar. Terwijl we parkeren zien we Monica en Jaber staan en ook Olav en Leonie komen net aanlopen.

Eenmaal binnen mogen we gelijk aanmelden en de verplichte gearcheck doen. Ik moet mijn jasje en beker laten zien, Frank zijn lamp en ook zijn jasje. Daarna krijgen we onze tracker en startnummer en dan is het wachten. Wachten op het vertrek van de bus die ons naar de feitelijke start zal brengen, terwijl we met bekenden kletsen, een broodje eten en alles nog eens checken. Hoe verdeel ik mijn eten over mijn racevest, heb ik mijn stokken bij me, wat zit er in de dropbag en wat in de tas bij de finish? Wanneer heb ik eventueel mijn zonnebril nodig en zal ik die buff in mijn broekzak stoppen of gewoon achter in mijn vest? Als ik alles precies zo heb zoals ik het hebben wil ga ik nog één keer naar de wc en dan is het tijd voor de briefing en vertrek. Hier zullen we het mee moeten doen.

Het is mooi weer. Vorig jaar hadden we een regenbuitje maar dit jaar hebben ze beloofd dat het droog blijft. Eigenlijk is het perfect weer, zonnetje, niet te warm, niet te koud. We hebben niet veel tijd voordat het 18:00 is, maar even snel plassen en een selfie met de gang kan altijd. Ik ben Frank kwijt want ondanks dat we afgesproken hebben om apart te lopen wil ik wel een startkusje. We lopen apart want samen zijn we langzamer. We hebben allebei onze sterktes en zwaktes en als we samen lopen, lopen we op elkaars zwaktes en verliezen we tijd. En ik verwacht alle tijd nodig te hebben.

Om exact 18:00 wordt er afgeteld en gaan we van start. Mijn grootste zorg is of mijn knie het gaat houden. Ik heb al de hele week een zeurderig gevoel en meer last dan normaal, maar zodra ik begin met lopen voel ik hem nauwelijks. Alsof de opwinding van het lopen van The Great Escape bij voorbaat al endorfine aangemaakt heeft en de boel verdooft. Mij hoor je niet klagen, houden zo. De eerste kilometers gaan omlaag en dat loopt lekker weg ook al hang ik gelijk een beetje achteraan, mijn normale plek op dit soort loopjes. Dan komt het eerste klimmetje waar ik vorig jaar gelijk al op liep te schelden. Gek genoeg loop ik nu makkelijk omhoog en vraag ik me af waar ik vorig jaar zo moeilijk over deed. Misschien was het in mijn gedachten erger (ik denk het niet), komt het door de vakantie (zal zeker helpen), of schelen die kilo’s écht in het omhoog lopen (waarschijnlijk de beste verklaring). Opnieuw, mij hoor je niet klagen, slechts ietwat gefrustreerd door het feit dat ik snellere stappen maak dan de mensen achter mij maar die mij toch op de een of andere manier inhalen. Misschien lijkt dat maar zo of heb ik gewoon kortere benen? Nou ja, het is wat het is en uiteindelijk moet ik mijn eigen race lopen. Ik zwaai nog even naar de fotografe die op de weg zit en dan gaat mijn focus naar de eerste VP op 23 km.

Het zijn altijd die eerste kilometers. Vooruit, ook de laatste maar vooral de eerste. Als ik eenmaal aan het lopen ben is het goed en als ik voorbij de eerste VP ben zit ik er lekker in. Maar eerst moet ik nog die eerste 23 km door. De cut off is om 22:51 dus in principe genoeg tijd. We zijn in het licht gestart en alhoewel ik het altijd zo lang mogelijk uit probeer te stellen kan ik rond de 15 km écht niet meer zonder licht lopen. Ik ben niet de enige die het uit wil stellen maar we moeten er allemaal aan geloven. Omdat het droog is heb ik gelukkig geen last van de mist die zich altijd in mijn lichtbundel vormt en ondanks dat er weinig maanlicht is kan ik af met de middelste stand. Scheelt weer batterij. In de nacht valt ook nu weinig te zien. Ik loop op stukken die ik totaal niet herken van vorig jaar en een paar stukjes waarvan ik denk ‘oh ja, dat was hier’. Zo ook een dorpje met een camping en een bruggetje dat we over moeten. Dan moet ik even kijken of ik nu de weg rechtdoor of rechts moet hebben. Een man achter mij heeft hetzelfde als blijkt dat we iets naar links omhoog langs een oevertje moeten. Nu weet ik het weer.

Dan kom ik aan op het eerste checkpoint waar Olav en Leonie zich net klaarmaken om weer te vertrekken. Sandy is er en de ruimte is leuk aangekleed met nepkippen, eenhoorntjes en kabouters. Daar waar bij de Bello zo rond de kerst altijd een opblaassneeuwman staat, staat nu een opblaaspinguin voor Halloween bij de ingang. Ik laat een foto maken. Morgen zal ik zelf als een pinguïn rondlopen dus dat is wel toepasselijk. Eenmaal binnen maak ik gelijk mijn shit in orde. Dat wil zeggen, ik neem geen risico en hang mijn klokje gelijk aan een lader, ik check mijn drinken en dump de lege papiertjes van eten en ga even naar de wc. Dan ga ik op zoek naar cola en kijk of ze nog iets lekkers te snacken hebben liggen. Het worden partjes sinaasappel en paprikachips. Er hangt een scherm waar je de deelnemers kan tracken en ik kijk of ik Frank zie. Die loopt op een paar kilometer maar wel helemaal achteraan. Ik hoop dat hij binnen is voordat ik weer vertrek.

Alhoewel ik me altijd voorneem om niet te lang te blijven hangen bij de verzorgingsposten gaat de tijd snel en duurt het altijd langer dan ik wil of denk. Als ik uiteindelijk helemaal klaar sta om te vertrekken check ik nog een keer waar Frank is. Nog twee minuten wordt me gezegd dus daar wacht ik nog even op. Als hij binnen is geef ik hem een kus en ga weer door, ik heb mijn tijd écht nodig. Hij haalt me vast ergens wel weer in. Ik duik de nacht weer in, nu met mijn stokken in de aanslag. Het eerste stuk heb ik nog zonder gelopen maar ik kan me herinneren dat er nu wat meer klimmetjes komen. Desondanks heb ik nog steeds het idee dat ik veel makkelijker loop dan vorig jaar. Ik heb voor dit tweede deel ook een muziekje aangezet. De volgende post is op 43 km dus dat is ook 20 km. Lekker overzichtelijk. Frank heeft een briefje gemaakt met de afstanden en cut off tijden maar met het regelmatig pakken van mijn GPS handheld ben ik die verloren want die zat in dezelfde zak. Nou ja, volgens mij was de volgende cut off 3:30 en heb ik bijna anderhalf uur speling.

Ik loop lekker door, mijn knie houdt zich koest, de muziek doet zijn werk, het is droog en een prima temperatuurtje en de klimmetjes vallen me 100% mee. Wat wil een mens nog meer? Ik snap steeds minder waarom ik vorig jaar uitgestapt ben. Ik eet een ietwat taai stukje ontbijtkoek want doordat ik door mijn mond adem droogt de boel een beetje uit. Ik heb het ook best warm en kijk voor de gein eens naar mijn hartslag. Die zit op 160 slagen per minuut. Ik schrik een beetje, dat is best hoog. Ik hou het een tijdje in de gaten maar ik voel me prima en als ik wandel zakt hij ook weer snel. Het zal wel goed zijn en ik maak me er verder niet druk over. Ik kom door een dorp en zie een stuk of zes lopers langs de kant die bij Hayo zitten. Die zit op de grond en ziet er niet goed uit. Ik vraag of ik kan helpen maar de hulp is al onderweg. Omdat ik verder niks kan betekenen loop ik maar door. Ik hobbel nog een paar kilometer door en dan drink ik mijn waterzak leeg. Geen paniek, ik zit inmiddels op 42 km en de post is op 43 km. Toch? Niet dus, die zit pas op 46 km. Bovendien komt er een heel erg lang gemeen stuk van continue omhoog. En als je denkt dat je er bent moet je nog verder omhoog. Het is ook nog eens een heen en weertje en de lopers die er geweest zijn komen je tegemoet, alleen zij mogen naar beneden en ik moet omhoog. Dit stuk zat er vorig jaar zeker niet in!

Olav en Leonie lopen langs en zeggen gedag terwijl ik mezelf naar boven worstel. Ondanks dat ik lekker loop voel ik het nu al wel in mijn bovenbenen. Ik was al voornemens om toch iets van krachttraining te gaan doen hierna, dus ik weet waar ik op moet gaan focussen. Als ik eindelijk in het dorp ben moet ik ook daar nog verder omhoog maar uiteindelijk kom je er toch en stap ik de VP binnen. Via een trappetje omhoog, dat dan weer wel. Ik werk mijn ritueel weer af en krijg een broodje met hotdog dat ik bijna niet weg kan eten. De worst gaat nog wel maar het brood is me te droog. Wegspoelen met cola dan maar. Alhoewel ik nog steeds ruim binnen de tijd ben is het hier al een stuk rustiger en loop ik dus verder achteraan. De vrijwilligers beamen dat het een snelle groep is dit jaar.

Als ik mijn ding gedaan heb wacht ik niet meer op Frank. Met een beetje mazzel kom ik hem zo op weg naar beneden weer tegen. Als ik weer de straat op ga ligt deze er verlaten bij.  Het is dan ook al twee uur ‘s nachts. Ik kom nog een enkele loper tegen die me succes wenst en bij elk lichtje dat ik zie hoop ik dat het Frank is. Pas bij het vijfde lichtje is het raak en hij roept al gelijk dat hij er uit gaat. Oh nee hé, niet weer. Maar hij kan helaas niet anders. Zijn bovenbenen zijn opgeblazen en hij kan niet meer afdalen. Kop zit goed, motivatie zit goed, zin zit goed maar het lijf blokkeert. Ik baal net zo hard voor hem. Hij werkt zich nog naar boven om zich af te melden, ik daal verder af om mijn weg te vervolgen. Terug de nacht in, terug het parcours op en op weg naar de plek waar ik vorig jaar gestopt ben, vooral ook nieuwsgierig naar wat daar verder ligt.

Het duurt niet lang voor ik op de weg loop waar Frank vorig jaar stopte. Van daar uit is het niet zo veel verder meer waar ik een regenbui over me heen kreeg en langs het klimpad loop waar ik de vuursalamanders zag. Dit jaar zit er niks want het is droog en nogmaals, je hoort mij niet klagen. De klimmetjes en vooral de afdalingen beginnen zo langzamerhand hun tol te eisen. Niet alleen mijn bovenbenen protesteren maar vooral ook mijn tenen die in mijn schoenen drukken en voel ik daar een beginnend blaartje? En dan ben ik pas op de helft. Maar we stappen dapper door en ook hier klagen we niet over. De stokken doen hun werk goed door te ondersteunen en met een blik op oneindig en het verstand op nul kom je een heel eind. Ik speel haasje over met een man die ik uiteindelijk moet laten gaan. Met klimmen gaan we gelijk op, vlak ben ik sneller maar met afdalen ben ik een slak, niet in de laatste plaats vanwege de fysieke ongemakken maar vooral ook omdat ik het me niet kan veroorloven om een verkeerde pas te zetten en uit te glijden, te struikelen of te vallen. Vanwege mijn knie en vanwege 100.000 andere redenen.

We komen samen beneden in het dorp en we steken de weg over waar we langs het spoor en het treinstation lopen. Hier was het. Hier ben ik gestopt. Alles wat nu komt is nieuw en ga ik ontdekken. Ik ben vooral nieuwsgierig naar het stuk met de gladde rotsen wat zo glad en gevaarlijk was vanwege de regen. We gaan het zien. Ik moet nog een stukje langs de weg en dan weer een paadje omhoog. Een paadje dat niet alleen best steil is, maar ook bezaaid met stukken leisteen. Ja, als het zeikregent en alles nat is zal dit behoorlijk glad en glibberig zijn. Ik weet dan nog niet de helft.

Het stuk omhoog is niet zo heel erg lang als het weer wat vlakker wordt. Nou, als dit alles is, valt het alleszins mee. Ook als het had gezeikregend kan je hier prima lopen. Ik juich te vroeg want als ik een paar kilometer verder ben krijg ik weer een klim. Een klim nóg steiler omhoog, met nóg meer gladde rotsen. Ik ben niet alleen blij met mijn stokken maar ook blij met het feit dat er nog een paar andere lopers zijn. Ik zie hun lichtjes een stukje voor mij wat mij twee delen informatie geeft. Ik ben niet alleen maar ik moet nog veel meer omhoog. Als ik eindelijk helemaal boven ben loop ik over een single track over een bergkam. Het is dan wel donker, en dat is maar goed ook, maar toch heb ik dondersgoed in de gaten dat ik zowel links als rechts van mij een klein ravijntje heb. Met andere woorden, ik mag geen pas verkeerd zetten. Nu snap ik waar de term ‘gevaarlijk’ van vorig jaar vandaan kwam en ik ben dolblij dat ik vorig jaar uitgestapt ben en dit stuk overgeslagen heb. Ik had me hier doodgelopen. Bovendien had ik het nooit gehaald binnen de cut off want snel was ik niet gegaan in die regen en gladheid.

Ook nu doe ik voorzichtig en bedenk me dat teruggaan toch geen optie is dus kan ik beter doorlopen. Ik ben echter heel erg blij als ik weer langzaam aan af mag dalen, niet in de laatste plaats omdat ik inmiddels weer alleen ben. Er valt prima te lopen maar je moet wel je kop erbij houden en ik ben nu eenmaal geen fan van hoogtes. De afdaling is zwaarder dan de stijging en ik voel mijn teennagels met de minuut blauwer worden. En ik maakte me zorgen over mijn knie? Maar uiteindelijk ben ik dan toch beneden en op weg naar de volgende verzorgingspost. Hier heb ik een dropbag liggen en kan ik voorraden bijvullen en eventueel mijn lamp achterlaten. Ik zoek tussen de tassen maar kan hem niet vinden. Hij blijkt ergens anders te liggen en een van de vrijwilligers pakt hem voor me.

Ze hebben noedels en soep maar ik neem mijn eigen bakje noedels dus ik heb alleen een beetje heet water nodig. Scheelt weer tijd want ik had 6:00 binnen willen zijn maar inmiddels is het al bijna 6:30 als ik binnen ben. Binnen zitten een handjevol mensen waaronder een dame met dreadlocks waar ik soort van mee oploop. Zij loopt sneller dan ik maar ik kom haar toch tegen bij de verzorgingsposten waar ze dan weer wat langer blijft hangen. Ik vul wat eten bij, herorganiseer mijn vest, neem wat vloeibare magnesium en een paracetamol en eet mijn noedels. Noedels die niet te vreten zijn, er zit kraak noch smaak aan. Alleen de bouillon waar ze in zitten is lekker. Ik dwing mezelf er toch wat van te eten want er moet voedsel in maar het gaat niet van harte. Ik laat het laatste restje noedels staan en maak me weer klaar om te gaan. Ik twijfel of ik mijn lamp achterlaat en kijk naar buiten. Het ziet er nog donker uit dus ik neem hem maar mee maar als ik daadwerkelijk naar buiten stap is het toch lichter dan ik dacht. Bovendien komt de zon razendsnel op dus ik stap weer naar binnen om alsnog mijn lamp achter te laten. Een vrijwilliger neemt hem aan en stopt hem in mijn dropbag. Scheelt weer gewicht.

Ik begin weer te lopen en realiseer me dat ik de zonsopgang gemist heb. Bummer, een van de dingen die ik altijd zo gaaf vindt aan dit soort lopen is om na een nacht doorhalen de zon op te zien komen. En daar natuurlijk mooie plaatjes van te schieten, maar helaas, vandaag is niet de dag. Ik blijf er niet te lang bij stilstaan. Ik heb nu 14 km te gaan tot de volgende verzorgingspost en ik moet 10:33 binnen zijn, het liefst eerder zodat ik daar ook nog wat kan eten en drinken. Ze hebben me verteld dat we het ergste nu gehad hebben. Ik ben benieuwd want ook al is het licht, ook nu krijg ik best nog wel wat hoogtemeters voor mijn kiezen.  Het enige voordeel is dat ik nu de prachtige vergezichten kan zien. Het nadeel is dat ik op bepaalde plekken ook kan zien hoe hoog ik zit, hoe smal het pad is en waar ik terecht kom als ik hier een verkeerde stap maak.  Natuurlijk maak ik daar een foto van maar dat doet absoluut geen recht aan de werkelijkheid. Voorzichtig daal ik af en vervloek mijn zere poten en onwillige bovenbenen. Hoe zat dat ook alweer met die krachttraining? Ik weet het, ik weet het.

Toch loop ik nog steeds lekker door en ik besluit om de Terminatorknop aan te zetten. Een mooi vlak stuk over een weiland en ik zet de sokken er in wat resulteert in kilometer 74 in minder dan tien minuten. Lang kan ik er helaas niet van profiteren, kilometer 75 komt er weer een afdaling from hell wat alle vaart er weer uit haalt. Het zij zo. Wat volgt is weer een klim en een daling, een klim en een daling en een klim. Ik loop weer over een single track en zie in het dal een dorp liggen. Daar moet de laatste verzorgingspost liggen, die per saldo weer verder weg is dan het lijkt. Bovendien moet ik natuurlijk weer eerst een heel stuk naar beneden, want dat is de consequentie van een dorp dat in een dal ligt. Er is slechts één ding dat mij nu op de been houdt. De gedachte, of beter gezegd de hoop, dat ze bij de laatste verzorgingspost tosti’s hebben.

Qua tijd begint het nu wel krap te worden. Het is al 10:00 geweest als ik binnenloop en de cut off is 10:34. Ik heb tijd om wat te eten en drinken, maar daarna geen marge meer. Eten. ‘Wat hebben jullie te eten?’, is het eerste dat ik vraag terwijl ik alleen maar kan denken ‘zeg alsjeblieft tosti’s, zeg alsjeblieft tosti’s’. Hij zegt geen tosti’s, hij noemt het crocs, op zijn Vlaams. Op zijn Vlaams, op zijn Engels, op zijn Frans, op zijn Duits, het maakt me niet uit in welke taal het is, het zijn tosti’s! Hoe blij kan je zijn met zo iets kleins. Ik vraag gelijk of ik er twee mag. De dame met wie ik oploop is er ook weer en zelfs Mike en zijn kompaan zijn er. Die lopen de 200 km en vaak op de cut off.  Ondertussen krijg ik superservice want de vrijwilliger zorgt niet alleen voor twee tosti’s, hij vult ook mijn waterzak bij zodat ik rustig naar de wc kan. Als ik hem terugkrijg zegt hij de legendarische woorden: ‘Ik heb hem helemaal bijgevuld want je moet nu nog 26 km’. 26 km, is dat niet een beetje veel? Het waren toch nog maar 23 km? Of toch 25 km? Ik weet het eerlijk gezegd niet zo goed. Ik kan niet meer helder denken en hoor alleen maar 26 km, 5,5 uur en nog 1100 hoogtemeters. That can’t be right either!

Wel dus. Ik ga rekenen en kom uit op dat ik gewoon vijf kilometer per uur moet lopen. Hoe dan? Met al die hoogtemeters? Er wordt wel gezegd dat ze niet meer zo technisch zijn maar dan nog. Nou ja, we gaan er voor, de dood of de gladiolen en dan kom ik maar te laat binnen. Als ik in elk geval maar uitloop. En die medaille zal ik toch wel krijgen. Tenminste? Ja toch? Ik wil liever het risico niet lopen maar ik weet niet of dit gaat lukken. Piekeren zal me echter niet gaan helpen, doorlopen wel. En doorlopen doe ik. Ik krijg in elk geval ook nog een tosti voor onderweg mee. Het lijkt inderdaad qua terrein wel wat makkelijker en zo lang ik mijn kilometers onder de 12 minuten maak komt het goed. Elke keer als ik dat denk komt er toch stiekem weer een klim, en ondanks dat het niet meer technisch is kosten deze kilometers me toch tijd. Het grote rekenen begint. Hoeveel tijd heb ik nog, wat als ik gemiddeld maar 4 kilometer per uur loop, waar kom ik uit, red ik het nog?

Loop ik omhoog ben ik pessimistisch, loop ik omlaag of vlak ben ik optimistisch. Het zal er om hangen. Ik check ook continue of ik nog goed loop. Het laatste wat ik nu kan gebruiken is verkeerd lopen en tijd verliezen. Ik probeer her en der ook nog te rennen. Het systeem met de handschoenen die in de stokken klikken werkt goed want om de haverklap klik ik ze in en uit. Uit als ik kan rennen, want met de stokken in de hand gaat dat sneller, en in als ik omhoog moet, want dan is met stokken lopen weer beter. De vrijwilligers hadden gelijk, dit stuk is veel minder technisch maar er zitten nog steeds de nodige hoogtemeters in. Hé-ho, hé-ho, je krijgt het niet kado. De pijntjes in mijn lijf en vooral mijn voeten nu negeer ik consequent, tik tak, tik tak, tik tak is het geluid van mijn stokken op de weg, ik kan eindelijk speedmarsen als ik alsmaar door blijf lopen. Het is letterlijk een race tegen de klok. Ik ben stiekem blij dat het zonnetje zich nog niet heeft laten zien en er zelfs een beetje miezer valt. Een eekhoorntje kruist mijn pad in een dorp maar ik neem niet de tijd om er proberen een foto van te maken. Geen tijd, geen tijd, opzij, opzij, ik heb ongelofelijke haast.

Zo tikken de kilometers weg. Er staan regelmatig wegwijzers die niet alleen de route aangeven maar ook de naam Clervaux en de kilometers tot het dorp. Ik moet ongeveer twee kilometer verder dan het dorp, maar het werkt erg motiverend. Ik ben gestopt met rekenen hoe snel ik moet lopen, ik zie alleen nog maar hoeveel uur ik al aan het lopen ben en weet dat ik 22 uur de tijd heb. Als de teller op 22 staat moet ik binnen zijn. Als er geen gekke dingen gebeuren zal ik geen uur te laat komen maar wat het wel gaat worden weet ik ook niet. Als ik nog tien kilometer moet mag ik voorzichtig gaan aftellen. De dame met de dreadlocks loopt voor mij en als we nog zo’n 7 kilometer moeten krijgen we een plensbui over ons heen. Lekker dan, is het bijna 100 km droog, krijg je aan het eind nog even een bui om lekker nat te regenen. Maar goed, gelukkig is het een bui die ook weer overtrekt en snel genoeg droog ik ook wel weer op.

De laatste kilometers gaan in en na een laatste klim en afdaling komen we uit in het dorp. Dan denk je dat je lekker op asfalt mag uitlopen maar er loopt ook een trail naast het dorp en natuurlijk volgen we die. Dan zien we de verlossende gele pijlen van de Legends die aangeven dat we van de route af moeten. Het kan nu niet ver meer zijn en het wordt echt spannend. Ik heb nog een kleine tien minuten maar de route op mijn GPS is onduidelijk en door het zwabberen van mijn klokje weet ik nu niet precies hoever het nog is tot de finish. Het kan 500 meter zijn maar ook nog twee kilometer. Dan zegt de dame voor mij ‘ik zie de parkeerplaats’ en als ik langs haar kijk zie ik Frank met Tim staan. De dame begint weer te dribbelen. Ik laat haar gaan, ze heeft zo lang voor mij gelopen dat ze ook voor mij mag finishen. Bovendien heeft ze me verteld dat dit haar eerste 100 km was dus ik heb diep respect dat je dan gelijk The Great Escape pakt. Dat was ook een vergissing biechtte ze me op.

Ik loop richting Frank en daar aangekomen word ik gelijk doorgestuurd naar binnen om over de rode loper naar het podium te lopen. Ik ben er en ik heb het gehaald met nog drie minuten op de klok. Ik heb het spannend gemaakt! Ach ja, zo ben ik nou eenmaal. Ik weet dat ze thuis aan het volgen zijn dus zo houden we het leuk. Of was het toch omdat ik gewoon niet sneller kon en me de teringtyfustandjes gelopen heb om op tijd binnen te zijn? Ik krijg mijn medaille, geef de tracker terug en strompel het podium af. Olav en Leonie zijn er ook nog en Frank weet me te vertellen dat hij gevraagd heeft of ik de medaille had gekregen als ik te laat binnen was geweest. Het antwoord is nee. Of dat echt zo is zullen we nooit weten en ik ben blij dat ik er niet achter hoef te komen. Als ik te laat was geweest dan was dat zo, maar het is toch wel een eredingetje dat ik tóch binnen de tijd was. Frank heeft een hotelletje met een spa geboekt in plaats van dat we naar huis rijden. Helemaal prima, alleen even regelen dat iemand de mannen van Swiss Sense opvangen morgenochtend want die komen een nieuwe topper brengen. Was hij even vergeten. Gelukkig wil Frenk dat wel doen en kunnen wij met een gerust hart naar het hotel waar we lekker douchen, het bubbelbad in duiken, wat eten en daarna lekker kunnen slapen.

The Great Escape 2.0. Veni, vidi en dit keer was het wél vici. Alhoewel ik heb besloten dat ik deze niet meer zal lopen was het avontuur weer super en ben ik trots op mezelf dat ik het nog kan. 105 km met ruim 4200 hoogtemeters in 22 uur. De Terminator doet het nog.

I’m back!

0 reacties

Een reactie versturen

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *