Veni, vidi, vici, de halve van Egmond!

De halve van Egmond. De halve marathon der halve marathons in Nederland. En wij gaan hem lopen.

Vorig jaar om deze tijd was ik vol in training voor Rotterdam. Ik had een duurloop op mijn schema staan en het waaide heel hard, maar ik kon mijn eigen ding doen. Was er ook nog helemaal niet aan toe om de uitdaging van deze bikkeltocht aan te gaan. Dit jaar ben ik er wel klaar voor. Alhoewel…

Frank heeft op meerdere momenten spijt gehad dat hij me altijd maar laat begaan als ik ons inschrijf voor een wedstrijd. Nog een keer Rotterdam? Vooruit dan maar. De Venloop? Gezellig. De CPC? Uiteraard. De halve van Egmond? Uuuh, slik, oh, nou ja, uh, moet het echt? Hij roept dan ook al twee maanden dat hij er enorm tegenop ziet. Ik daarentegen heb zoiets van: ‘Yes, Egmond. Respect als ik kan zeggen dat ik Egmond heb gelopen!’ En we weten allebei wat er straks gaat gebeuren. Frank komt over de finish waarbij het hem allemaal reuze mee gevallen is en vraagt zich af waar hij zich nou zo druk om gemaakt heeft. En ik? Ik vervloek mezelf waarschijnlijk 21 km lang voor mijn naïeve optimisme en impulsiviteit.

Maar goed. Voorlopig hou ik dat optimisme nog maar even vast. We gaan vroeg op pad want het is nog even rijden. Natuurlijk weer enorm getwijfeld over wat ik aan moest. De enige momenten in mijn leven dat mijn vrouwelijke genen opspelen. Want het is raar weer. Relatief warm voor de tijd van het jaar. Het voelt ook wel een beetje als smokkelen. Want Egmond is niet écht Egmond als er niet minstens twee ijspegels aan je neus hangen tijdens de tocht. Krijg ik straks te horen dat ik dan weliswaar Egmond gelopen heb, maar dat ik toch ook wel een makkelijk jaar uitgekozen heb. Dat wist ik natuurlijk al toen ik inschreef. Not! Maar goed, iets in me zegt dat er toch nog voldoende te bikkelen overblijft, en niet alleen vanwege de verwachtte windkracht 6 tegen op het strand, het feit dat de gevoelstemperatuur minstens een paar graden kouder is dan de 8 graden die de thermometer aangeeft, en de mogelijk regenbuitjes. Een beetje zoals de Circuitrun Zandvoort 2015, maar dan twee keer.

Als we er bijna zijn hebben we een beetje pech met een kop-staart botsing. Gelukkig geen schade op een paar krasjes na. De twee auto’s voor mij hebben minder geluk. Het zijn lopers, die kunnen Egmond wel op hun buik schrijven. Na de administratieve afhandeling kunnen we verder en nemen in elk geval twee gestrande lopers mee. De pendelbus zet ons af en als we naar de kleedruimte lopen voel ik al dat de wind behoorlijk koud is. Dat belooft wat. Gelukkig heeft Frank een vuilniszak meegenomen, waar ik dankbaar gebruik van maak. Kan ik mijn jas achterlaten.

Met alle perikelen onderweg hoeven we nu niet lang te wachten en lopen naar de start. Daar krijgen we de volle laag van de wind tegen ons aan. Tot overmaat van ramp voel ik ook nog eens druppels. Ik ben nog nooit zo blij geweest met een vuilniszak. Dan mogen we op weg en draaien gelijk het strand op. We zijn begonnen aan de tocht der tochten. Frank loopt nog even met me op, maar in de beukende wind ben ik hem al snel kwijt.

Het zand is relatief hard. (Later horen we dat het toch lastig zand was omdat het normaal gesproken nog veel harder is). Toch moet ik ploegen en binnen no time voel ik gek genoeg niet mijn zwakke plek, de rechterbilspier, maar mijn linker. En daarmee mijn kuit. Maar goed, ik zie wel waar het schip strand. Of in dit geval, de halve marathon. Ik loop af en toe tussen een groepje mensen, en af en toe vol in de wind. Het is geen windkracht 6 maar minstens 7, en er staan dikke witte koppen op de golven. Ik zie zand over de vlakte vliegen. Toch begin ik het na twee kilometer warm te krijgen en het wapperen van de vuilniszak stoort me enorm dus ik besluit hem kapot en van me af te scheuren. Ik loop er nog een tijdje mee in mijn hand maar zie nergens een vuilnisbak. Met grote gêne laat ik hem los. ‘Sorry milieu, het spijt me enorm!’ Ik hoop dat de organisatie nog een schoonmaakrondje doet.

Tijdens het ploegen bedenk ik me maar dat ik gewoon door moet blijven lopen, dan kom ik vanzelf aan het einde van die 7 km. Bij de drankpost op 5 km neem ik wat te drinken en een stuk banaan, want ik verga alweer van de honger. Heb ik gelijk een smoes om even te wandelen alvorens toch maar weer verder te ploegen. De wind maakt slachtoffers, niet alleen onder een paar lopers die nu al moeten opgeven, maar voornamelijk onder petjes, mutsen en handschoenen. Had ik tijdens de marathon een jaarvoorraad aan gelletjes kunnen oprapen, had ik nu een hardloopmutsenwinkel kunnen beginnen. En daar bedoel ik geen dames van een theekransje mee.

Uiteindelijk komt dan toch dat 7 km punt en gaan we onder luid gejuich van het strand af de duinen in. Langs de kant staat een collega met haar vriendin die beloofd had te komen kijken. Een enorme boost na mezelf afgebeuld te hebben. Ook al ben ik pas op een derde. De duinen doen me een beetje denken aan Meijendel in Den Haag. En ook de Van Brienenoord komt ergens in mijn achterhoofd langs. En ook hier geldt, wat omhoog gaat moet ook naar beneden. Van mijn kuiten heb ik nu geen last meer, maar mijn bilspieren doen nu allebei pijn. Reminder to myself. Bilspieren trainen. Veel!

10,5 km is een feestje, we zijn op de helft. Tegen die tijd heb ik het nodige gedronken, banaantjes gepikt bij de verzorgingsposten en een gelletje gegeten. Ook zijn de duinen overgegaan in een wandelpad met klinkers. Af en toe wat vals plat, maar voorlopig even geen straffe heuvels meer. De omgeving is mooi, de lucht is heerlijk en er komt zelfs een zonnetje door. Ik geniet met volle teugen. 10,5 worden er 12, 12 worden er 15 en 16, en dan mag ik gaan beginnen met aftellen. Om me heen veel mensen die stuk gegaan zijn. Teveel gegeven op het strand en die zichzelf nu tegen komen. Ik heb er geen last van, en dribbel gewoon lekker door, voor zover mijn billen het toelaten. En ik kijk lekker om me heen. Ook op dit stuk liggen de mutsen, petten en eenzame handschoenen voor het oprapen. Met pijn in mijn hart laat ik ze echter liggen. In een vorig leven hamster geweest denk ik.

Bij 19 km krijgen we toch nog een heuvel én een beetje wind tegen, maar de gedachte aan nog maar twee kilometer en een beoogde eindtijd onder de 2,5 uur geven nog wat extra power. Dan de laatste kilometer in, het dorp, de bocht en de vuurtoren. 500 meter, 300 meter, 100 meter, handen in de lucht, breed lachen waar ik complimenten van de commentator voor krijg en de finish waar Frank al op me staat te wachten. En natuurlijk de medaille, die ik mooi genoeg vind voor mijn ‘speciale’ hanger. Ja, ik ben al zo ver dat ik een hanger heb voor ‘normale’ en één voor ‘speciale’ medailles. Uitslag? Een prachtige 2:24:02. Daarna gauw naar huis voor het BEB ritueel, oftewel bad-eten-bank, en nagenieten als we bericht krijgen dat ook de man van de aanrijding toch nog heeft kunnen lopen. Fijn! Dan rest ons nog maar één ding te doen.

Compleet en finaal instorten!

4 Reacties

  1. Ottolina uit den bogaard

    Leuk stuk.! goed gedaan Sas.

    Reageren
    1. Saskia Uit den Bogaard (Auteur bericht)

      Thanx! Voor beide complimenten 🙂

      Reageren
  2. Deliana

    Super leuk geschreven! Kan me er volledig in terug vinden 🙂

    Reageren
    1. Saskia Uit den Bogaard (Auteur bericht)

      Dus jij ook gefeliciteerd met het halen van de finish! 😀

      Reageren

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.