Rotterdam Marathon 2018: Bloed, zweet en tranen

Marathonweekend. Vrijdag begonnen met het ophalen van mijn startnummer samen met twee vriendinnen, struinen over de Expo en daarna een pannenkoek eten. Zaterdag opnieuw een pannenkoek dit keer met Frank, de minimarathon kijken en RMD-ers aanmoedigen en nog keer even snel over de Expo. Borreltje en een bitterballetje, maar rond een uur of zes wordt het me teveel. Ik ben moe en wil naar huis, relaxen en even rust in mijn hoofd. Onze vrienden uit Limburg zijn er en terwijl we traditiegetrouw naar ‘De marathon’ kijken werken we onze pasta weg. Rond een uur of elf duik ik mijn bed in.

M-Day! De wekker gaat om 7:00 en ik heb relatief goed geslapen. Frank bakt snel pannenkoeken en om 8:30 staan we bij de Green Room van de RMD voor de groepsfoto. We nemen de metro richting de start want alhoewel het bij het opstaan goed lijkt te gaan heeft hij de afgelopen dagen toch veel last van zijn knie gehad. De start die dit jaar op de Schiedamsedijk is. We zijn gepromoveerd naar Wave 3 en die start nagenoeg voor ons oude huis. Joost loopt met ons mee, die start ook in 3. Ik moet uiteraard voor de zesde keer enorm plassen maar er staan slechts vijf Dixies voor een hele lange rij mensen. Terwijl Leen staat te zingen zie ik drie dames schaamteloos hun broek omlaag gooien en langs de kant gaan zitten. Ik gooi ook al mijn schaamte opzij en sluit me aan. Sorry hoor, maar vijf Dixies per startvak? En eenmaal die grens over, doe ik het even later nog een keer, vlak voordat we écht mogen starten.

Het plan voor vandaag is simpel. Had ik ooit ambities om proberen onder de vier uur te lopen, heb ik het maar losgelaten. Ik heb ook al sinds de CPC last van mijn bilspier en de weersverwachtingen is toch dat het warm wordt. Dus doe ik hetzelfde als vorig jaar, alleen een klein beetje sneller. Dat betekent 11 km per uur starten en per 5 km kijken hoe het gaat. De start aan de voet van de Erasmusbrug bevalt me wel. Het voelt een beetje als de Verrazano in New York. Dat moet Rijnmond ook gedacht hebben want trainer Jan staat net als in New York op de brug aan te moedigen. Ik merk in elk geval totaal niet dat we over de brug lopen. Wat ik wel merk is dat het warm is. Nu al en ik ben nog geen 500 meter onderweg. Dat wordt veel drinken.

Ik kijk uit naar Jenny en Gaston maar ik zie ze niet. Dan maar door, op naar de 5 km drankpost. Ik zorg ervoor dat mijn flesje leeg is tegen de tijd dat ik er ben. Het vullen is wat onhandig. Ik heb minstens drie bekertjes nodig en bovendien moet ik een zakje electrolyten uit mijn Flipbelt peuteren. Het kost niet alleen tijd maar ook concentratie. Dat moet écht anders. Na de 5 km begin ik ook mijn bil te voelen. Ook al vroeg in het parcours. Nou ja, we zien wel waar het schip strandt. Conditioneel loop ik relatief makkelijk op een tempo van iets meer dan 11 km per uur. Eigenlijk te snel maar het voelt ok dus ik zet het maar gewoon door.

Op weg naar de 10 km kijk ik uit naar Evert Buitendijk voor de foto’s. Ik kijk op een punt waar hij ooit eerder gestaan heeft omdat ik niet zo goed opgelet heb van tevoren waar hij feitelijk zou staan, maar ik zie hem niet. Ook nu maar doorlopen dan totdat ik hem dan toch zie. Ik moet even moeite doen om langs een man te lopen. Dat lukt net dus hopelijk kan hij er wat van maken. Een stuk verderop loopt een man in een Pokemon Pikachu pak. Die zal het warm krijgen! Hij wordt onterecht aangezien voor de Paashaas door een paar mannen achter mij en ik verspil wat energie om ze terecht te wijzen. Dat heeft de beste jongeman wel verdiend vind ik. De 10 km dient zich aan en omdat ik nog voldoende water in mijn flesje heb sla ik de waterpost over. Wel pak ik wat water om af te koelen. Een kwart gehad, nog driekwart te gaan.

Op het Havenspoorpad loop ik nog steeds lekker. Ik loop al een tijde in de buurt van een aantal bekenden en dat helpt. De menigte bij Slinge is als vanouds overweldigend en ik zie een aantal bekenden in het publiek. Dan komt het heen en weertje waar dit jaar de verloren kilometer op de Coolsingel goedgemaakt wordt. Kijken en zwaaien naar groene shirtjes aan de overkant leidt lekker af en dan mag ik ook draaien. Opnieuw kijken en zwaaien en dan zie ik zowaar Frank lopen. Ik ben opgelucht, hij zit niet eens zo ver achter me en het ziet er nog goed uit. Op 15 km zit ik nog steeds op een gemiddelde van 11 km per uur en voel me nog steeds redelijk goed. Redelijk want ik merk wel dat mijn bil steeds vervelender gaat doen en aan het uitstralen is. Soms voel ik het in mijn hamstring en soms in mijn kuit. Maar negeren is my middle name en dat doen we dan ook maar gewoon. Mijn flesje vul ik dit keer rechtstreeks vanuit de waterteil en het zakje electrolyten heb ik in de aanloop alvast gepakt. Dat gaat een stuk beter.

Dan komt mijn ‘Kralingse Bos’. De 18 km en het rondje Oldegaarde met Ahoy vind ik meestal mentaal het vervelendste stuk en ik probeer me te focussen op mijn muziek. Ik ben even mijn flow kwijt, mijn ademhaling gaat omhoog en het duurt even voordat ik de boel weer onder controle heb. Tegen die tijd ben ik gelukkig al bijna bij het 20 km punt. Ik trek nog even door naar de 21 km op 1:55 en gun mezelf even een wandel- en eetmomentje. De 22 km is altijd mentaal de snelste km maar ik merk dat het daarna zwaarder begint te worden.

Richting de 25 km wordt het bilprotest opnieuw harder. En dus negeer ik ook een beetje harder. Ook de warmte loopt op en bovendien dient zich een nieuw fenomeen aan. Mijn keel lijkt een beetje dicht te gaan zitten, ik denk toch iets van hooikoorts. Een goede motivatie om vooral te blijven drinken. Opnieuw de Erasmusbrug en ook nu merk ik het niet. Dit keer niet omdat het zo soepel gaat maar omdat ik al een tijdje in mijn ‘zone’ zit. Gelukkig gaat een brug niet alleen omhoog maar ook omlaag. Bij de 28 km ben ik bij het punt waar ik vorig jaar een steek in mijn zij kreeg. Dit jaar is het niet alleen waar we gestart zijn maar blijft de steek lekker uit. Nu alleen het tunneltje nog en dan hebben we de bulten min of meer gehad.

Ik hou nog even vol tot de 30 km. Ik wil eigenlijk doorlopen naar de 32 km waar ik de Cheering Zone van de RMD verwacht maar ik red het niet. Ik moét even wandelen en iets drinken. Ik zie in het voorbijgaan nog wel een paar bekenden maar eigenlijk ben ik me er nauwelijks van bewust. Ik zie dan ineens wel weer een 2 euro muntstuk liggen maar kan het niet opbrengen om te stoppen en hem op te rapen. Soms moet je prioriteiten stellen.

Op 31 km slaat het noodlot toe. Ik word vol in mijn gezicht geraakt door de man met de hamer! Ik voel al mijn kracht wegvloeien, mijn benen worden pap, mijn thermostaat stijgt in het rood en de pijn in mijn been doorbreekt mijn mentale blokkade. Ik strompel naar de Cheering Zone, pers er een glimlach uit voor de foto en stort in de armen van Anita die een appeltje voor me klaar heeft staan. Ze wandelt een stukje met me mee terwijl ik twee stukjes naar binnen schrok en laat me daarna zijn. Ik wandel en wandel en wandel terwijl ik probeer te drinken. Uiteindelijk vind ik de moed om toch weer te gaan rennen maar het valt me zwaar.

Aan het eind van het bos staat mijn schoonvader met water maar ik kan het niet opbrengen om te stoppen. Ik zwaai naar hem en stuur hem een kus. Hij weet het op dat moment niet maar het doet me enorm goed dat hij er staat. Eenmaal de hoek om komen de schermen maar ik zie geen boodschappen voor me. Het is desondanks weer een paar meter afleiding. Nog meer vrienden langs de kant. Zwaaien en grimassen wat voor een glimlach door moet gaan. Nog héél even wandelen en dan toch door naar de 35 km. Het is nu een fysiek ding geworden.

Vanaf de 35 km begint het wandelen en rennen. Als ik stoer ben noem ik het intervallen maar het is gewoon voor het eerst dat ik ordinair stuk ben gegaan in de laatste kilometers van de marathon. Doordat ik marge heb is snel gerekend onder de vier uur nog een optie maar dan moet ik wel minstens 10 km per uur blijven lopen. Ik merk al gauw dat ik dat niet ga redden. Ik hou het gewoon niet vol. Niet alleen vanwege de pijn en de warmte maar zeker ook doordat ik prooi ben gevallen aan de grootste klassieke fout tijdens een marathon. Te snel starten, jezelf leeglopen, de hamerslag en dan niet meer kunnen.

Toch weiger ik nog om op te geven en ik sleep me van kilometer naar kilometer. Bij elk bord mag ik weer heel even wandelen om daarna toch weer te gaan rennen. En dat rennen gaat ondanks alle pijn en vermoeidheid dan toch stiekem wel op een acceptabel tempo. Zo haal ik de 38 km en dan zie iets wat ik absoluut niet had willen zien. Frank staat aan de zijlijn en dat is foute boel. Hij loopt een stukje met me mee en bevestigt dat hij is uitgestapt op 23 km. Teveel pijn in allebei de knieën. Naast fysieke pijn doet dit emotioneel ook pijn maar ik ben in overlevingsmodus en parkeer het. Frank geeft me een mentaal duwtje en laat me weer gaan. De rest zal ik toch zelf moeten doen.

Nog drie kilometer en nog ongeveer 19 minuten. Maar weer moet ik wandelen. Nou ja, strompelen is een betere omschrijving. Ik baal wel een beetje. Ik ben er zó dichtbij en kan het gewoon niet opbrengen. Ik druk wanhopig op mijn Terminatorknop maar er gebeurt niks, nakkes, nada. Out of order. In onderhoud. Vergeten op te laden. Vastgelopen. Of misschien wel verroest. Zelfs de aanmoedigingen van de Crooswijkers kunnen me niet tot doorhollen brengen. Meer bekenden langs de kant die me toeschreeuwen en dan toch maar weer proberen te rennen. 40 km en 3:45 op de klok. Half wandelend half rennend zie ik de kubuswoningen opdoemen en het 41 km bord. Vaag denk ik terug aan mijn eerste halve marathon, de CPC. Déjà vu. Op 41 km kijk ik nog één keer op mijn horloge. Nog 6 minuten en 1,2 km te gaan. En dan bedenk ik me, het is nu of nooit!

Ik moet nu weer gaan rennen en blijven rennen en wel op ietsjepietsje sneller dan 10 km per uur. Ik probeer nog één keer de Terminatorknop. Hij sputtert even en dan, wonder boven wonder, slaat hij aan. Vermoeider dan ooit en met pijn door mijn lijf ren ik alsof mijn leven er vanaf hangt. Ik draai de hoek om en vergeet Frank zijn woorden om te genieten. Gisteren riep ik het nog: ‘Als ik op 500 meter zit en ik heb nog drie minuten ga ik écht rennen!’ En dat is exact wat ik doe. Het is geen sprintje maar ik neem genoegen met het tempo waar ik mee gestart ben. Iets meer dan 11 km per uur. Ik kan me niet herinneren dat ik ooit zó blij geweest ben om de finish over te komen. Het enige dat ik nu nog registreer is de 3:59 nog wat op mijn horloge en ik schreeuw het uit.

Hulpverleners komen af op de grimas op mijn gezicht en vragen of het goed met me gaat. Het lijkt misschien niet zo maar het gaat beter met me dan ooit. Ik wandel voorzichtig verder, haal mijn medaille op bij mijn oud-collega, praat even na met wat RMD-ers maar wil eigenlijk maar één ding. In de armen van Frank duiken! Ik moet nog even door de sluizen voordat ik dat eindelijk kan doen. Met gemengde gevoelens dat wel.

Daarna gaan we naar de Green Room voor drank en voedsel en verhalen te delen. Goede verhalen en slechte verhalen. Meerdere mensen uitgestapt en bijna iedereen wel min of meer stuk gegaan, een enkele uitzondering daargelaten. Op een gegeven moment stort ik in en wil naar huis. Daar lekker onder de douche, sushi eten en op de bank. De Rotterdam Marathon is weer volbracht, I went to hell and back en heb onverwachts toch mijn ultieme doelstelling gehaald. Een droomtijd van 3:59:29. Het vinkje is gezet. Bloed, zweet en tranen, en iedere druppel meer dan waard. En het mooiste van alles?

Iedere marathon die ik nu nog loop mag ik minstens zes uur over doen. Tja, je bent een luie loopster of je bent het niet!

2 Reacties

  1. Marcel

    Zal ik het zeggen of niet? Allereerst, prachtig verhaal en prachtige race, gefeliciteerd! Echt heel indrukwekkend, je prestatie en je progressie! Maar als je zegt: vanaf nu mag het minstens 6 uur duren, denk ik: echt? Of is er een stemmetje dat zegt: ‘ik heb stukjes gelopen. Dus ik kan nóg ietsje sneller. En een BQ staat voor vrouwen op 3:55…’ Een mens zonder dromen, da’s niks, dus mocht je op zoek zijn naar een nieuwe droom.. 😉

    Reageren
  2. Saskia Uit den Bogaard (Auteur bericht)

    Ha, ha, ha, natuurlijk denk ik dat. Samen met ‘er zit meer in’, ‘wat als het niet zo warm is’, en ‘als ik mijn bilspieren harder train zodat ik daar minder last van heb dan…’

    Maar het is een fijn gevoel voor mezelf dat het niet hoéft. Ik kan nu lekker gezellig met iemand meelopen zonder dat ik me afvraag of ik onder de vier uur zou kunnen lopen als ik alleen en los ga. Of als ik een slechte dag heb denken ‘volgende keer weer’.

    En als ik wel alleen start en me goed voel probeer ik het vast nog wel een keer en dan kijken we of het nog beter kan. Dan zit de BQ 3:55 wel in het achterhoofd ja. Maar in 2019 heb ik eerst een ander doel.

    Ik heb namelijk nog één vinkje te zetten…

    Reageren

Laat een reactie achter op Saskia Uit den Bogaard Reactie annuleren

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *