De Devil’s Trail Drunense Duinen

Frank wil wat vaker gaan trailen. Vindtie leuk. Prima hoor. Want daar waar ik hem altijd meesleep naar het andere eind van het land om een of ander schimmig loopje te doen ‘omdat je die toch ook ėcht een keer gedaan moet hebben’ vind ik dat ik als tegenprestatie dan ook met hem meega naar een beetje rennen door de bossen. Dus toen hij al browsend op de bank de Devil’s Trail in de Drunense Duinen tegenkwam en vroeg: ‘Zal ik ons inschrijven?’ zei ik gelijk: ‘Is goed hoor lief’. Bovendien kon je er een medaille bij bestellen en kreeg je Tony Chocolonely aan de finish. Kijk, daar kom ik nou altijd mijn bed voor uit! En daar wil ik dan ook best wel 22,22 km voor rennen. 11,11 km is dan een beetje te kort om de calorieën te compenseren en 33,33 km is dan net weer een beetje te gek. Het moet wel leuk blijven. Voor de rest heb ik me er niet zo mee bezig gehouden. Het stond in de agenda dus geregeld.

De start is om 11:15 en het is een klein uurtje rijden plus een extra half uur omdat we moeten omrijden voor het parkeren. 9:30 de deur uit is dan ook vroeg genoeg vindt Frank. Meestal reken ik een uurtje langer omdat ik een hekel heb aan haasten, maar dit keer hou ik mijn mond. Met als gevolg dat we zwaar gestressed om 11:10 aankomen bij het parkeerterrein omdat we een half uur in de file gestaan hebben vanwege een ongeval bij de afslag naar de Efteling. Want die Drunense Duinen kennen we natuurlijk van Hugo van de Bokkenrijders. Gelukkig staan we praktisch gelijk bij de start dus terwijl Frank de startnummers afhaalt smeek ik de voorste dame van de rij bij de WC om voor te mogen piepen. Niet alleen vanwege het feit dat ik het bijna in mijn broek doe maar ook omdat we over 4 minuten moeten starten. Ze trapt er in en om 11:14 staan we klaar om te gaan rennen.

Ietwat opgefokt ga ik van start. Het start/finishgebied is bij een manege dus logisch dat we al snel een ruiterpad opduiken. Het heeft echter weinig geregend de laatste tijd dus het zand is relatief hard en aan de randen is er prima te lopen. Daarna duiken we het bos in en lopen we op single track paadjes afgewisseld met opnieuw ruiterpaden. Ik merk dat ik aan het racen ben in plaats van genieten en moet dus juist uit mijn flow in plaats van er in. Ik spreek met Frank af dat we tot aan de verzorgingspost lopen en dan het tempo wat laten zakken. Voordat we die echter bereiken gaan we een stijle zanderige heuvel op waardoor mijn tempo sowieso al zakt. Boven aan de heuvel kijken we uit op een prachtig landschap van de Drunense Duinen. We stoppen dan ook om wat foto’s te maken.

Dat prachtige landschap blijkt iets minder prachtig als we er een minuut later doorheen moeten ploeteren. Het mulle zand is best zwaar om te lopen dus we zoeken onze weg een beetje langs de randen van het gras. Daarna duiken we het bos weer in maar mijn schoenen zitten inmiddels wel vol met zand. Die moeten wel even leeg bij de verzorgingspost. Die laat op zich wachten maar net als ik denk dat hij niet meer gaat komen zijn we er. De schoenen worden geleegd, ik blus mijn gezicht met water en graai een minisnicker en twee tucjes mee. Ik prop alles in mijn mond en weer door!

Tot een kilometer of twaalf gaat het allemaal prima. We lopen lekker en denken regelmatig aan de arme Eindhovengangers die met deze warmte door de stad moeten rennen. Wij hebben tenminste een briesje en schaduw. Tenminste, totdat we bij de ‘zandbak’ komen. Een oneindige vlakte mul zand. En wij moeten er doorheen. De Marathon des Sables is er niets bij! Binnen drie seconden zitten mijn schoenen weer vol met zand en als we eindelijk halverwege de vlakte zijn en een heuvel omhoog moeten stoppen we opnieuw om onze schoenen leeg te gooien. 

Beneden aan de heuvel komen we Marco tegen, een mede-RMDer. Deze bikkel loopt wél de 33 km. Mij nog een zandvlakte te ver. Maar ook wandelend kom je uiteindelijk aan het einde van de vlakte en mogen we weer door het bos en de ruiterpaden. Op naar de volgende post. Ook die staat behoorlijk ver weg. Pas op 18,5 km kunnen we weer spoelen en eten. Dat betekent wel dat we nu nog maar 4 km hoeven. Voor die tijd hebben we opnieuw onze schoenen leeggegooid. Frank heeft inmiddels minstens twee nieuwe blauwe tenen en die van mij doen inmiddels ook best zeer vanwege de druk van het zand in niet alleen mijn schoenen maar ook mijn sokken. En eerlijk gezegd protesteren mijn billen mee. En mijn hamstrings. En mijn kuiten. En mijn scheenbenen. En mijn voeten. Mijn oren niet. Die doen geen zeer.

Bij de verzorgingspost hebben ze nog een restje paprikachips liggen. Ik val er direct op aan en lik nog nét de kruimels niet op. Na opnieuw twee bekertjes water in het gezicht ben ik weer verkwikt en gaan we monter op weg voor de laatste 4 km. Nou ja, 5 km dan want we lopen al een tijdje op met een dame die ons weet te vertellen dat het parcours 23,5 km is in plaats van de afgesproken 22,22 km. Krijg je er zomaar gratis bij, die extra kilometer. Mijn montere pas verzandt letterlijk en figuurlijk al na 500 meter in strompelend ploegen door het mulle zand. Het venijn zit hem in de staart want niet alleen is het mul zand waar we doorheen lopen, het is ook nog behoorlijk heuvel op en heuvel af. En opeens heb ik niet meer zo’n medelijden met de mensen die in Eindhoven lopen.

Het enige dat nu nog met rasse schreden gaat is ons tempo. Omlaag wel te verstaan. Mijn benen zijn leeg en ik kan het niet meer opbrengen om ook nog maar één heuvel rennend omhoog te gaan. Omlaag gaat nog een klein beetje maar Frank heeft door zijn zeren tenen juist moeite met omlaag rennen. En dus strompelen we gezellig samen langzaam verder op het pad der oneindigheid. Om uiteindelijk vele lichtjaren verder dan toch het laatste stukje weg te bereiken dat ons naar de finish leidt. De finish, die inderdaad exact 23 km en 650 meter na onze start ligt. De finish waar ze niet alleen een mooie medaille en bier, maar ook de beloofde bak met stukken Tony Chocolonely hebben. Popcorn Discodip, mijn lievelingssmaak. Ik hou me geen seconde in, tenslotte heb ik net 437.956 calorieën verbrand. Ongeveer.

Marco is al langer binnen en onder het genot van een drankje en een ranzig broodje dat desondanks schaamteloos verdwijnt in de bodemloze put die ik ooit mijn maag noemde wachten we op Johan, Marco’s loopmaatje. Als hij binnen is drinken we nog wat alvorens de weg naar huis aan te vangen. Eenmaal schoongewassen en op de bank waarbij iedere vezel in mijn lijf pijn doet vraag ik me in godsnaam af waarom ik mezelf toch iedere keer weer martel met dit soort loopjes. Maar diep in mijn hart weet ik exact wat de reden is. 

The devil made me do it!

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.