Triathlon Rotterdam: Double distances, double fun

‘Zeg Douglas, ga jij nou ook ooit nog eens een keer hardlopen?’ ‘Echt niet, daar vind ik niks aan, ik ben meer van het fietsen.’ Ik vertel hem dat we recent een sprint triathlon gedaan hebben. ‘Kijk, dat zwemmen zou ik dan ook nog leuk vinden in afwisseling met het fietsen, maar dat hardlopen? Nee, niks voor mij.’ En dan daag ik hem uit. Over een jaar, een sprint triathlon, 750 m zwemmen, 21 km fietsen en tja, dan toch ook 5 km hardlopen. ‘Dan doe ik de kwart, dat is bijna het dubbele.’ Die uitdaging gaat hij aan. We hebben een deal!

Als de tijd daar is schrijf ik me in terwijl Douglas begonnen is met zijn eerste hardlooppassen. Er is dit jaar geen kwart maar een olympische afstand, 1 km zwemmen, 42 km fietsen en 10 km hardlopen. Die kilometer zwemmen is maar 250 m meer dan vorig jaar, dat fietsen ging best aardig dus dat lukt ook wel en die 10 km maak ik me helemaal geen zorgen over. Zo weinig dat dat best past 2 weken na de Roparun, ik de week ervoor nog even de Ladiesrun loop, donderdag spontaan de 10 km van de Inner Circle doe en ach, zaterdag een leuke hardloopclinic volg van Robert Lathouwers. Ik krijg nog wel een verrassing, ik heb me vergist in de afstand zwemmen. Die is geen 1 km maar 1,5 km. Nou ja, het moet maar dan.

Ik hoef pas om 15:00 te starten en het wordt prachtig mooi weer. Douglas, die aardig getraind is inmiddels op de 5 km, start om 11:00. Dat willen we wel zien natuurlijk dus we gaan om 10:00 de deur uit. Met een duf hoofd want ik vergeet bijna mijn hardloopschoenen mee te nemen. Ergernis alom als we niet bij het terrein kunnen komen. De toegangsweg is afgesloten door een verkeersregelaar en hij laat ons omrijden via een andere route. Die blijkt doodlopend en de regelaar die daar staat weet het ook niet. Terug naar wat dan toch de enige toegangsweg blijkt. Die is nu ineens wel open. Als we bij het parkeerterrein aankomen staan we 2 km van de start af. ‘Moeten we de rest lopen?’ Een norse regelaar beantwoord onze vraag met ja en zegt dat het nu eenmaal zo is terwijl hij zich omdraait. De buitentemperatuur loopt gauw op naar 30 graden, mijn humeur zakt naar het vriespunt. Lekker begin en dan komen we ook nog te laat om Douglas te zien starten want inmiddels is het 10:54.

Maar er zit niks anders op dus we pakken onze spullen en beginnen aan de wandeling als er een invalidenbusje wel door het hek mag. Brutaal steek ik mijn duim op en de beste chauffeur stopt. We mogen instappen en meerijden en door deze random act of kindness verandert mijn humeur stante pede weer van vrieskou naar stralende zon. Zo simpel kan het leven zijn. We zijn om exact 10:58 bij de start en kunnen Douglas succes wensen en uitzwaaien. Zijn vrouw Anita, dochter en ouders zijn er ook en met z’n allen kunnen we hem all the way aanmoedigen.

De indeling van het terrein is beduidend anders dit jaar, net als het parcours. Er staat slechts een foodtruck en ook nog aan de andere kant, en drie tentjes met spullen. Ik zie ook nergens iets van fietsen staan en de schrik slaat me om het hart. Ik heb een fiets gehuurd maar ik zal hem toch niet ergens moeten hebben ophalen? Ik heb ook geen bericht gekregen of zo, maar er eerlijk gezegd ook niet op gelet of er naar gevraagd. Iemand van de organisatie zegt dat er een busje staat aan de andere kant en als ik dan ook nog op de lijst blijk te staan is alles weer ok. 

Douglas is een held terwijl hij zich door het zwemmen, fietsen en vooral het hardlopen worstelt. Het is heel warm maar hij slaat zich er kranig doorheen. Ik ben zelden zo trots op iemand geweest als hij uiteindelijk finisht. Zelf begin ik cold feet te krijgen en dat wil wat zeggen in deze warmte. Het is al een lange dag en ik begin me te realiseren dat ik best wel aan de bak moet met het zwemmen en fietsen, en dan ook nog 10 km hardlopen. Bovendien loop ik met mijn ziel onder mijn arm te wachten tot ik aan de beurt ben. 

De olympische afstand heeft maar 1 wave en start als laatste. Als het eindelijk zo ver is en ik mijn spullen klaargezet heb, omgekleed ben en vast begin met acclimatiseren in het water zie ik alleen maar afgetrainde triatleten met hun professionele trisuits het ponton op komen lopen. Sta ik dan in mijn badpak en sportondergoed als klein meisje tussen de lange slanke en afgetrainde mannen. Gelukkig zie ik een bekend gezicht, Chris van de Rotterdam Running Crew is er ook. Heb ik in elk geval iemand om even mee te praten en me af te leiden van mijn twijfels.

Dan is het eindelijk 15:00. Ik ken mezelf, als ik eenmaal bezig ben gaat het gewoon in één keer door. Het fluitje klinkt en iedereen begint als een idioot te zwemmen. Ik ben redelijk vooraan begonnen maar binnen no-time bungel ik ergens achterin. ‘Ach, dat maak ik straks wel weer goed met het hardlopen.’ Ik zwem voornamelijk schoolslag en soms een beetje borstcrawl terwijl ik redelijk opga met een man naast mij. Mijn persoonlijke zwemhaas. De sprint ging tot de eerste boei, wij moeten tot de tweede. Als ik de eerste boei eindelijk bereikt heb denk ik bij mezelf: ‘Shit, met de sprint was ik nu al klaar geweest!’. 

Maar ik moet nog even door. De tweede boei lijkt nog heel ver weg en dat is hij ook. Hij wil maar niet dichterbij komen en het besef dat 1,5 km zwemmen eigenlijk best wel een eind is begint langzaam tot me door te dringen. Na een eeuwigheid ben ik dan toch bij de tweede boei. Ondanks mijn afwijking naar links tijdens de borstcrawl waardoor ik een paar keer schuin ga en de golven die de terugkerende zwemmers voor mij maken die als een soort tegenstroming fungeren ben ik nog steeds niet helemaal laatste. Er zitten nog een man of drie achter mij en ik ga ook nog steeds gelijk op met de man naast mij. 

De terugweg is nog veel langer en verder. Ik begin een praatje met mijn haas, tenslotte is gedeelde smart halve smart. Het helpt. Het leidt af van het zwemmen en de afstand en maakt de terugweg minder lang. Nog steeds lang, maar minder. Frank en Douglas staan op een ponton en ik zwaai een paar keer om te laten zien waar ik ben. Ik weet niet of hij me ziet tot ik dichtbij ben. Ik ben dan een half uur onderweg, maar nog niet bij de uitgang. Ik pak wat meer borstcrawl, dit keer met de afwijking naar rechts, en ga sneller en laat mijn haas achter mij. Eindelijk mag ik het water uit. Deel een zit er op, op naar het fietsen.

De wissel gaat net zo slecht als vorig jaar. Ik neem te weinig tijd voor het afdrogen waardoor ik mijn fiets/hardloopkleding niet aankrijg. Mijn zwemhaas heeft me inmiddels alweer ingehaald en als hij al lang en breed op zijn fiets zit ben ik nog aan het klooien met onwillige winegums die in plaats van mijn zak liever op de grond liggen, een fietshelm die ik niet opkrijg en sowieso een onhandige opstap nadat de jury zegt dat ik mag gaan fietsen. Maar eenmaal op het zadel schiet ik er vandoor en begin aan mijn eerste rondje van ongeveer 10 km.

Het gaat lekker, ik maak snelheid, de wind waait door mijn helm en droogt mijn kleding. Ook het hanteren van de fiets heb ik snel weer te pakken nadat vorig jaar de laatste keer was dat ik op een racefiets zat en de route is best mooi. Nog even stoeien met de bochten en gaan met die banaan. Ik doe ongeveer een klein half uurtje over een ronde en begin aan de tweede. Deze voelt al iets ongemakkelijker. Mijn fietshouding is niet erg comfortabel, ik heb nu al een houten reet en krijg last van mijn rug. Bovendien word ik daar waar ik vorig jaar nog mensen inhaalde, nu zelf alleen maar ingehaald. Maar dan ook echt alleen maar. Een troep ganzen besluit om halverwege over te steken en ik moet er dwars doorheen en ik heb het gevoel dat ik alleen maar wind tegen heb. Tegen de tijd dat ik het einde van ronde twee nader denk ik bij mezelf :’Shit, met de sprint was ik nu al klaar geweest!’.

Ik ga ronde drie in en het lachen is me inmiddels volledig vergaan. Ik heb enorme pijn in mijn reet en rug, weet niet meer hoe ik op dat ding moet zitten en zie nog maar weinig fietsers op het parcours. Bovendien begint mijn poezelige tere huidje er verdacht rood uit te zien aangezien alle zonnebrand er tijdens het zwemmen afgewassen is en ik natuurlijk niet zo snugger was om de fles zonnebrand klaar te zetten om bij de wissel bij te smeren. Chris haalt me voor de laatste keer in als ik ronde drie nog niet eens af heb. Hij mag nu al gaan lopen, net als al die anderen die ik aan de overkant van de dijk al vrolijk heen en weer zie gaan. Bij de splitsing van ‘richting finish’ links en ‘next lap’ rechts ben ik de enige die nog naar rechts afwijkt voor een vierde ronde en zelfs de vrijwilliger van dienst vraagt voor de zekerheid of het nu echt mijn laatste ronde is. 

De laatste vreselijke maar tegelijkertijd oh zo heerlijke ronde. Omdat het de laatste is. Ik snap er niks van. Vorig jaar vond ik het echt leuk, wilde zelfs een racefiets kopen. Nu ben ik blij dat ik het niet gedaan heb en besluit ter plekke dat ik nooit meer ga fietsen. En zeker geen olympische afstand triathlon! En deze keer meen ik het, er zal heel wat moeten gebeuren wil ik dit ooit nog een keer doen. Een marathon lopen, de Roparun of een Ultramarathon? Ik kan het niet laten, maar dat fietsen?  Nee, dat is niks voor mij. 20 km ging nog net, meer moet het niet worden. Houten reet, dat krijg je er van! En toevallig ben ik erg op mijn derrière gesteld.

Maar zoals bij alles komt er een einde aan. Ook aan 42 km fietsen. En daarmee de zorg of ik niet van het parcours gehaald wordt net als de pionnen die de scheidslijn tussen heen en terug op een stuk weg aangeven. Volgens mij is het de eerste keer in mijn sportcarrière dat ik me hier serieus druk om maak. Als ik het laatste stuk richting de wisselzone fiets zie ik in mijn ooghoek een motormuis van de organisatie die bij een andere fietser rijdt. Ik ben dus toch niet de laatste! Maar het scheelt niet veel.

Het wisselen gaat nu aanzienlijk sneller. Tenslotte hoef ik alleen mijn helm af te doen en fiets weg te zetten ‘and off I go’! Vorig jaar had ik de eerste kilometer wiebelbenen. Dit jaar krijgt mijn lijf daar de kans niet voor zo stijf als dat ik ben. Maar gelukkig ben ik wel van die krampachtige fietshouding en daarmee mijn rugpijn verlost. Lopen dat ken ik, dat kan ik. Gewoon op de automatische piloot, de ene voet voor de andere. 10 hele kilometers lang. Frank komt even naast me lopen met een fijne mededeling: ‘Schat, ik weet dat je het niet wil horen maar je bent laatste, dus iedereen die je nu nog inhaalt zal achter je zijn.’ Grapjas. Ik kijk vooruit en zie de eerstvolgende lopers minstens een halve kilometer verderop lopen. En eerlijk gezegd ben ik zo ver dat het me geen ene houten reet boeit. Bovendien, er was toch nog een fietser achter mij?

Gek genoeg daar waar heen en weertjes lopen normaal gesproken lang en saai is helpt het me er nu doorheen. Het geeft me houvast om 1,25 km te lopen naar het eind en dan weer terug. Zo heb ik relatief korte stukken om naar toe te werken en rustig af te tellen. Bij de eerste u-turn eet ik uit pure wanhoop maar een gelletje om vervolgens stug verder te draven. De blik op oneindig modus gaat aan en de Terminatorknop op voluit. Niet om sprinten of zelfs maar hard te rennen of een PR te lopen, maar pure overleving om dit avontuur tot een goed einde te brengen. En bij elk ‘weertje’ staan Frank, Anita en Douglas me trouw aan te moedigen. Bij het einde van het tweede heen en weertje ben ik op de helft en denk bij mezelf: ‘Shit, met de sprint was ik nu al klaar geweest!’.

Ik begin aan de derde ronde. Ook nu is het deelnemersveld behoorlijk uitgedund omdat het merendeel al klaar is. Het is warm en het begrip gekookte kreeft is inmiddels een understatement. Maar lopen kan ik en nu haal ik wel mensen in. Waarschijnlijk mensen die al met de laatste ronde bezig zijn maar toch. Het doet me goed om te weten dat ik de afstand in elk geval een klein beetje verkleint heb. En het doet me nog beter dat er veel mensen tussendoor gaan wandelen terwijl ik het volhou tot in elk geval de drankposten bij de U-turns. 

Als ik de vierde en mijn laatste ronde in ga is er bijna niemand meer. Een verloren ziel langs de kant probeert de vier lopers die nog op het parcours zijn een hart onder de riem te steken en ik weet dat als ik nu nog mensen inhaal, ze achter mij zullen finishen. Ik richt mijn pijlen op een ietwat oudere man en een jonge vrouw. Kan ik ze hebben? Yes I can! Bij de laatste turn gaan ze wandelen en ik ren ze voorbij. Aan de andere kant loopt nog een andere vrouw en de man van de fiets achter mij. Dat zijn er in elk geval vier. Met die gedachte werk ik me naar het laatste stukje en de bocht bij de finish. Er loopt nog een vrouw voor me. Ik twijfel, accepteren en gewoon tempo houden en achter haar blijven of toch nog een laatste wanhopige krachtinspanning om proberen haar in te halen met een sprintje? Als ze de bocht omgaat voor de laatste 100 meter kies ik toch voor het laatste waardoor Frank mijn finish mist maar ik toch een neuslengte voor haar eindig.

Omdat iedereen al weg is blijven we niet hangen. Zelfs de fietsenman is er al vandoor nadat Frank met hem en de organisatie geregeld heeft dat tegen alle regels in hij de fiets alvast mee mocht nemen terwijl ik nog aan het lopen was. Nu nog die twee kilometer naar de auto. Die kan ik mooi gebruiken om mijn klokje vol te lopen want ik mis gewoon nog 600 meter voor de 10 km. En dat kan natuurlijk niet hé? Ik vind het wel knap van mezelf dat ik die toch nog onder het uur gelopen heb. Als de uitslagen online staan ben ik eerste, tweede en derde geworden. Oftewel 123ste. Tot mijn verrassing waren er in totaal toch nog 7 mensen achter mij. Ik heb ze niet allemaal gezien. 

Olympische afstand triathlon. 1,5 km zwemmen, 42 km fietsen en 10 km hardlopen. 3:31:22. Stiekem ben ik er best trots op. Ik kwam, ik zag, ik stierf 1.000 doden, ik besloot dit eens maar nooit meer te doen, en uiteindelijk ik overwon. Maar ik was ook arrogant. Dacht ‘dat doe ik wel even’. Het was een wijze les.

Volgende keer misschien toch ook maar een beetje trainen voor het zwemmen en het fietsen? Volgende keer.

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.