Wie zeurt krijgt een beurt

‘Zo, gaan we wel een beetje doorlopen?’ vraagt Frank bloedserieus. Buiten krijgt het weer een tien op de schaal van lekker loopweer, maar ondanks dat heb ik een zeer gebrekkige nacht achter de rug en is het nog heel erg vroeg, dus ik moet een beetje graven naar loopzin. ‘Nou’, antwoord ik, ‘ik dacht eerder aan een beetje rustig aan.’ ‘Ja, maar we kunnen toch niet elke keer een herstelloopje hebben, dat is nu toch wel klaar?’ ‘Dat was inderdaad dinsdag, maar donderdag heb ik ook al én verder dan normaal én snel gelopen, wel 6:24 minuut per kilometer’, geef ik aan. ‘Dat is hartstikke langzaam! Ik dacht meer aan 6:00?’ Ik trek een heel erg moeilijk gezicht en Frank realiseert zich dat dat dus niet gaat gebeuren.

We gaan op weg, over de Maasboulevard langs de Maas richting de Algerabrug en Capelle voor de luttele afstand van 16 km. ‘Ik ben stijf en mijn been doet zeer’, klaag ik. ‘Het valt me wel op dat je de laatste tijd altijd een smoes hebt om te zeuren tijdens het lopen’, klaagt Frank terug. Nou, ik kan er ook niks aan doen dat ik last van blessures heb en minder fit ben. Maar ik kan niet helemaal ontkennen dat hij stiekem ergens wel een puntje heeft. Niet dat ik dat ga toegeven natuurlijk. Gelukkig komt er af en toe een zonnetje tevoorschijn en is het niet koud. Ik hou me even koest. Niet in de laatste plaats omdat Frank regelmatig voor me uit loopt en dan weer moet stoppen om op mij te wachten.

‘Hebben we nou wind tegen?’ probeer ik voorzichtig bij kilometer 5. Ik krijg gelijk een veeg uit de pan. ‘Nee hier niet. Straks op het stuk waar we gaan keren lopen we een beetje in open vlakte, daar hebben we wind, maar hier nog niet. Dat lijkt maar zo omdat je, eigenwijs als je bent, geen jas aan hebt.’ Ik grom naar Frank en probeer braaf achter hem aan te blijven hollen. Wat gedeeltelijk lukt als hij met een onderdrukte zucht toch weer op me moet wachten. Als we halverwege zijn kan Frank niet meer ontkennen dat we nu toch écht zware wind tegen hebben. Ik mopper dus gewoon nog even door. Dan is daar eindelijk de rotonde waar we weer richting huis gaan lopen. En waarna we dan toch ook afwisselend een stukje wind in de rug hebben, opgevolgd door weer snoeihard wind tegen. Nou ja, een beetje dan.

Maar we moeten nog een kilometer of 8, dus nog voldoende tijd om door te piepen. Want dat been blijft toch écht stijf, en Frank loopt toch écht snel. Met, ‘Ik heb gisterochtend ook al paardgereden’, probeer ik een beetje medelijden los te peuteren, maar het haalt weinig uit. Misschien omdat ik dat twee weken geleden ook al geprobeerd heb. Ook het feit dat ik eergisteren bij de fysio ben geweest en letterlijk een blauwe plek op mijn bil heb maakt geen enkele indruk. En tot overmaat van ramp begin ik toch ook honger te krijgen. Gelukkig blijkt ook Frank last te hebben van hongerklop. Eindelijk een beetje medestand. Het laatste stukje naar huis gaat met horten en storten, en uiteindelijk komt ook de laatste kilometer in zicht. Het zit er weer op, een ontbijtje met croissantjes wacht op me en er staat een leuk uitje gepland voor de middag. Maar hoe je het ook went of keert, een beetje zeurpiet ben ik wel. Ter verdediging van mijzelf kan ik maar één ding zeggen.

Ik kan er ook niks aan doen dat ik gewoon tijd nodig heb om op te warmen. Een kilometertje of 15!

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.